Verhaal van een bezoek in Merksplas – Als een vriend, een kameraad al drie maanden opgesloten zit

We delen met jullie een tekst, geschreven door een kameraad, M. Ze schrijft over haar bezoek aan haar vriend en kameraad Ali, een jonge Palestijnse man die al drie maanden door de Belgische staat wordt opgesloten in het gesloten centrum van Merksplas.


Een maand geleden kon ik je voor het laatst bezoeken. Een maand lang kon ik geen vrije dag vinden, om tussen 11 en 18 uur dat uurtje met je door te brengen, van 13.15 tot 14.15 uur. Ook kon ik geen auto lenen, want de locatie waar je wordt opgesloten is niet gemakkelijk bereikbaar voor bezoekers.

Op de gps typ ik tegen mijn zin de woorden in die ik weiger aan te nemen: “Centrum voor illegalen Merksplas”.

Ik voel vanuit mijn vingers woede opkomen, tegen het geweld van de staat.

De weg naar dit centrum afleggen is een wens doen. 

De wens dat op een dag de term illegaal geen etikette meer is dat ze op jou of iemand anders plakken. De wens dat op een dag hun oude wereld in vlammen opgaat. En dat we samen dansen op hun assen.

Onderweg zet ik de radio uit, zet ik muziek op, zet ik de muziek uit, huil ik, zet ik weer muziek op.

Je belt me, zoals altijd, om te vragen of ik goed onderweg ben. Ongeduld. Het is waar dat ik altijd overal te laat ben, maar om je te komen opzoeken, weet ik dat ik dat niet kan, anders word ik aan de ingang geweigerd.

Ik concentreer me op de snelheid, want er zijn veel flitspalen. Maar mijn hart en mijn lichaam zijn al op de plaats van bestemming aangekomen. Ongeduld.

Ik concentreer me op de weg. Ik volg Antwerpen en vervolgens Breda, en daarna is de route telkens anders.

Ik parkeer. Adem in. Adem uit.

Op het enorme hek van het gesloten centrum staat op een groot bord: “Wij werven aan. Groepsbegeleider of terugkeercoach”.

Ik voel mijn woede weer opkomen. Hun taal, hun praktijken. Alles verbranden.

Vanuit het einde van de weg hoor ik het gelach van de bewakers. Gelach dat je hier al drie maanden lang moet aanhoren. Voortdurend. Er is geen ontkomen aan hun geweld.

Bij de receptie duurt het tien minuten voordat ze je naam te vinden. Ik moet het herhalen, en opnieuw. Hun systeem van dubbele registratie is in ieder geval goed bedacht: de dag ervoor moet je mijn naam op de bezoekerslijst zetten, en op de dag zelf moet ik bellen om jouw naam en de mijne door te geven. Dat is verplicht. En blijkbaar volkomen nutteloos. Een strikte en zinloze formaliteit. Hij kan je nog steeds niet vinden en vraagt me: “Nationaliteit?”. Ja, waarom zou je iemand humaniseren als je hem kunt reduceren tot een nummer op een lijst die op land is gesorteerd?

Bij de receptie, spullen afgeven waar je om gevraagd had. Door de metaaldetector gaan. En dan wachten.

In de wachtkamer vertelt een bewaker zijn collega’s over zijn vakantie in Vietnam, ze lachen samen. Alles wat hij zegt is ongepast, racistisch, minachtend en vernederend.

Zittend kijk ik naar het prikkeldraad en de betonnen muren en wens ik maar één ding: dat hij zich verslikt in zijn ongepaste opmerkingen.

Om naar de bezoekruimte te gaan nemen we een andere weg dan gewoonlijk. De bewakers zijn zeer enthousiast om deze nieuwe ruimte te ontdekken, ze verheugen zich over de route, over de knop die ze moeten indrukken, over het gebruik van een badge die vele deuren te openen. Met een overweldigend enthousiasme testen ze of alles functioneert. Ik zie ze, ze markeren hun territorium.

“Oh kijk, wat is er achter die deur? “

”Wauw, wat is deze nieuwe bezoekersruimte geweldig.”

Je hebt geen enkele opmerking gemaakt over de nieuwe bezoekersruimte. Je kwam binnen. Je glimlachte. Je rende naar me toe en we omhelsden elkaar. Pas aan het einde van het bezoek vroeg ik of je hier eerder al was geweest, je zei nee, dit is de eerste keer. En toen keek je om je heen. Want voor jou is de nieuwe ruimte geen gebeurtenis. Andere realiteiten zijn hier te werk. Je bent al drie maanden letterlijk van je vrijheid beroofd. Je kunt niet meer werken en dus ook geen geld meer sturen naar je zieke moeder. Of het nu de ene of de andere ruimte is, dat doet er eerlijk gezegd niet toe.

En nee, deze kamer is niet geweldig: de ramen zijn te hoog, zodat je niet naar buiten kunt kijken, de muren zijn grijs, er hangen tl-buizen aan het plafond, je voelt je benauwd.

De bewakers kijken, luisteren, lachen. Het is koud.

Nee, deze kamer is helemaal niet geweldig.

We hebben een uur.

De klok tikt.

We hebben gesproken over je mentale gezondheid. De tijd is lang en het is niet gemakkelijk om het hoofd boven water te houden. 

Je heeft mij verteld dat je nog steeds in isolatie slaapt en dat er geen verwarming is, dus ‘s nachts onder drie dekens kruipt. Ik probeer dit te onhouden om het met je advocaat te bespreken. Ook zou er binnenkort een externe arts langskomen. Want je migraine komt steeds terug en verhindert je slaap. 

Daarvoor is de weinige hoeveelheid paracetamol die je af en toe krijgt niet voldoende. We hebben gesproken over de voortgang van je juridische dossiers. CGRA, Hof van Cassatie, Europees Hof. Samen zijn we verontwaardigd, maar we proberen hoopvol te blijven.

Informatie doorgeven, vragen stellen, verduidelijkingen krijgen, documenten ontvangen.

De praktische aspecten zijn in orde.

Daarna hebben we de tijd genomen om te dromen.

Dromen over wat je wilt doen eens je vrij bent. Met een glimlach praten over alles wat we samen gaan moeten inhalen. Dan vertelde je mij dat je vaak op internet naar afbeeldingen van traditionele Palestijnse gerechten zoekt, dat het water je in de mond loopt en dat je je daar goed bij voelt, ook al is het daarna moeilijk om het eten hier te eten. Het brengt even een glimlach op je gezicht en dat is goed voor je moreel. Dus maken we grofweg een lijst met gerechten voor je vrijlatingfeest. Maar het belangrijkste is dat we allemaal samen zijn, zeg je.

Ik zie je glimlach en dat stelt me gerust. De afgelopen dagen was ik bezorgd toen we elkaar aan de telefoon hadden.

De bewaker onderbreekt ons moment van geluk. Hij komt naar ons toe om te zeggen dat het bezoek voorbij is.

We lopen naar de deur, blijven nog even hangen en omhelzen elkaar.

Zoals altijd, laat ik je beloven dat je goed voor jezelf gaat zorgen, dat je gaat eten en voldoende water gaat drinken, dat je elke dag naar buiten blijft gaan om frisse lucht in te ademen, ook al is het koud buiten en is de binnenplaats verlaten, dat ja gaat blijven socialiseren, ook al is het niet je keuze om elke dag met dezelfde mensen tussen vier muren opgesloten te zitten.

Je glimlacht naar mij. We begrijpen elkaar. 

Je gaat je best doen.

Het enige wat je wilt, is hier weg zijn.

Ze sluiten de deur. We glimlachen nog een laatste keer naar elkaar door de kier.

Ze vragen elke bezoeker om zijn linkerpols onder een blacklight te houden. Bij de ingang hadden ze ons een stempel met UV-inkt gegeven. Dat is om te controleren of degenen die naar buiten gaan, ook degene zijn die naar binnen zijn gekomen. Ze kijken niet wanneer ik de mijne door de scanner haal. Ze kijken aandachtig wanneer twee Arabische bezoekers aan de beurt zijn. Woede.

Hekken. Sleutel. Nog een hek. Nog een sleutel.

Het houdt maar niet op.

Met een bezwaard hart en verwarde gedachten ben ik de code van mijn kleedkastje vergeten. De bewaker zucht. Deze plek verlaten. Vertrekken met een storm van emoties. Het gevoel hebben dat ik een deel van mezelf achterlaat. Jij blijft hier.

Je belt me.

Het was fijn je te zien, bedankt dat je er was.

Ik vond het ook fijn, bedankt dat je bent wie je bent.

Handen op het stuur van de auto.

Geconfronteerd met die beruchte letters KOLONIE.

Geconfronteerd met die hoge hekken, dat prikkeldraad en die muren die ze ondoordringbaar willen maken.

Hard schreeuwen. Dan mijn tranen afvegen.

Die constructieve woede in mijzelf terugvinden. Die woede die me niet laat accepteren, maar me in staat stelt om samen met jou sterk te staan en samen te blijven strijden, samen met onze bondgenoten.

De muziek aanzetten. Weer op weg gaan.

Tot snel, Ali.

Weg met gesloten centra

Open grenzen

Einde aan de criminalisering

van zogenaamde “mensen zonder papieren”

Een bezoek brengen aan iemand in een gesloten centrum of in de gevangenis is niet altijd gemakkelijk. Als je elkaar niet van buiten de muren kent, kun je je ongemakkelijk of angstig voelen.

Het is nuttig om je te informeren, en er zijn verschillende interessante collectieven zoals bijvoorbeeld in Luik @cracpe en Point d’Appui asbl.

In Brussel kunt u contact opnemen met @gettingthevoiceout, dat opmerkelijk werk verricht in de strijd tegen gesloten centra.

Er zijn bezoeken, maar er zijn ook andere vormen van solidariteit mogelijk.

U kunt een donatie doen aan het Fonds Anti-Carcéral,dat in enige mate een “materieel comfort” voor mensen die opgesloten zijn brengt.

U kunt ook schrijven naar een persoon zonder papieren in een gesloten centrum of in een gevangenis.

Schrijven brengt kracht, want isolement kan zwaar wegen op de gemoedstoestand van mensen die opgesloten worden. Zich gesteund voelen is essentieel om mentaal en fysiek sterk te blijven.

En het is ook administratief belangrijk in hun juridische procedures om post te ontvangen.

Informatie over hoe u dit kunt doen en welke voorzorgsmaatregelen u moet nemen, vindt u op het Instagram-account @lefac_be.

U wordt door hun begeleid en geïnformeerd.

Voor donaties kunt u hier terecht:

Naam: Stichting Marius Jacob

Rekeningnummer: BE65 5230 8110 3896

Mededeling: FAC

Ce contenu a été publié dans Contributions extérieures, Externe bijdragen, Getuigenissen, Migratiepolitiek, Nieuws van de gesloten centra, avec comme mot(s)-clé(s) , , . Vous pouvez le mettre en favoris avec ce permalien.